Afscheid van het kruideniersvak

Afscheid van zijn werkzame leven. Daar zag Dick van ’t Hof uit Voorthuizen een paar dagen voor zijn laatste werkdag nog als een berg tegenop. Die winkel, dat was zijn lust en zijn leven. Met weemoed blikt hij terug op de achterliggende jaren.

Interview Dick van 't Hof

Terwijl Dick er helemaal voor klaar zit, dringen door de muur de tonen van een piano door. “Heb je een momentje? Ik moet aan de buurman vragen of hij stopt met spelen. Dat kunnen we tenminste rustig praten”, begint Dick ons gesprek. Kordaat stapt hij naar de buren en enkele minuten later pakt hij, met zijn aantekeningen in aanslag, de draad weer op. “Ga er maar even voor zitten en neem alvast een kop koffie”, adviseert hij, “want ik heb een hoop te melden.”

Naar de verhalen van Dick kun je ademloos luisteren; hij kan smakelijk vertellen. Over zijn jeugd op de boerderij van zijn ouders, zijn tochten met de bakfiets om bestellingen rond te brengen en zijn slapeloze nachten toen hij dreigde te moeten verkassen uit de omgeving die hem zo na aan het hart ligt. En over zijn vader die nu honderd zou zijn geweest.

“Stoppen, ik moest er niet aan denken”

Al op jonge leeftijd moet Dick helpen op de boerderij van zijn ouders. “Vijf jaar was ik en ik moest ’s morgens twee koeien melken en ’s avonds drie. Vroeg op dus, want om half zeven kwam de melkrijder al om de melkbussen op te halen.” Met zijn vier broers en twee zussen brengt Dick zijn jeugd door op een boerderij in Zwartebroek. “Dat was een gemengd bedrijf. Koeien, varkens en kippen. En bieten en knollen. In de zomer moesten we helpen met hooien en kuilen. Alles met de hand, zwaar werk. Ik had astma, daarom kon ik niet op de hooizolder zijn, want dan kreeg ik geen lucht vanwege al het stof. Dus stond ik bovenop de hooiwagen. En ik moest koren binden en op schoven zetten.”

Niet alleen in de zomermaanden is het hard aanpoten op het boerenbedrijf. Ook in de winter moet Dick de handen uit de mouwen steken en die handen worden soms blauw van de kou. “Dan moesten we bieten en knollen van het land halen. Als ik het dan heel koud had zei mijn vader dat ik mijn armen maar een paar keer hard om me heen moest slaan. En als dat niet hielp vond hij dat ik gewoon wat harder moest werken. Zo werd ik volgens hem vanzelf warm”, vertelt Dick.

Op de bakfiets

Dan kan de boerenzoon bij de plaatselijk kruidenierswinkel van vader Jan en zoon Ben ‘Lobbes’ Landman aan de slag als hulpje. “Die zoon werd zo genoemd omdat hij altijd zijn tachtig kilo zware hond gebruikte om gewicht te heffen”, herinnert Dick zich. Twaalf jaar is hij als hij op zaterdagen met de bakfiets bestellingen rond moet brengen. “Naar leeftijd keken ze toen niet. Werken moest je, en hard. Ik kon net niet bij de trappers van die bakfiets, dus ik zat maar over dat zadel te schuren. Kreeg je toch een zere kont van.”

Veel tijd om daar van bij te komen krijgt Dick niet, want hij moet na schooltijd ook helpen de vrachtwagens te lossen en de bestellingen klaar te maken. “Tegenwoordig komen de goederen in containers, maar toen kregen we alles in dozen, zakken en flessen. Was je toch met een paar mensen uren in de weer om dat op te brengen.”

Maandverband

Uit die periode kan Dick zich herinneren dat voor het eerst verpakt maandverband in de winkel verscheen, althans, het werd opgeborgen in het magazijn, want van openheid was in die tijd nauwelijks sprake. “Nu ligt het gewoon in de schepen van elke supermarkt, maar toen het net nieuw was durfden de mensen er bijna niet naar te vragen. Dan fluisterden ze in je oor wat ze wilden hebben en haalde ik het voor ze op.”

Hoewel Dick het prima naar zijn zin heeft in de kruidenierszaak is het voor hem wel flink aanpoten. Overdag zit hij op de ambachtsschool waar hij leert voor timmerman, op vrijdagavond moet hij suiker, koffie of bonen afwegen en op zaterdag is hij al om vijf uur in de weer zodat hij een uur later met zijn bakfiets bij de eerste klant is. Dick: “Die boer deed dan een briefje met bestellingen in de melkbus en ik deed er de boodschappen in. Altijd kreeg ik rond een uur of acht bij een klant een dik plak krentenbrood met echte roomboter. Later is mijn zus met hun zoon getrouwd”.

Nadat hij een paar jaar zijn klanten in en om Zwartebroek heeft bevoorraad komt er een einde aan de zaterdagse zadelpijn als hij zestien wordt en de beschikking krijgt over een bakfiets met hulpmotor. Kort daarvoor heeft hij zijn opleiding tot timmerman afgerond, maar het timmervak is niets voor hem. “Eigenlijk wilde ik banketbakker worden, maar ik had steeds last van eczeem dus dat ging niet vanwege mijn kapotte handen. Metaalbewerker kon ook niet.”

Dikke tranen

Na nog een jaar op de gemotoriseerde bakfiets kan Dick op zijn zeventiende aan de slag bij de slagerij en supermarkt van Bert en Ada Melissen-Woudenberg in Nijkerkerveen waar ook groente wordt verkocht. “Dat vond ik wel leuk, alles zelf snijden en schoonmaken. Als ik uien moest snijden rolden de tranen urenlang over mijn wangen. Dan liet ik de kraan lopen. Dat scheelde. En we moesten veel zelf bij de boeren van het land halen. Toen ik net mijn rijbewijs had, ging ik op maandagochtenden bij varkensslachterij BEDO in Nijkerkerveen zes halve varkens halen. Mijn baas ging op donderdagen naar het abattoir in Utrecht en dan kwam hij terug met twee koeien in zijn aanhangwagen. Die werden dan in de winkel helemaal uitgebeend.”

Uiteindelijk komt Dick terecht in Hoevelaken. Daar is het kruidenierswinkeltje van weleer inmiddels uitgegroeid tot een moderne supermarkt en Dick brengt met een auto de bestellingen rond. “Die winkel, van de gebroeders Altena, bestaat nu al meer dan honderd jaar. Destijds hadden we veel bezorgklanten. Dat was ontzettend arbeidsintensief. Soms waren wel tien meisjes bezig met het inpakken van de dozen. En ik sjouwde met de boodschappen. Het gebeurde wel dat ik bij die duplexwoningen drie keer heen en weer moest. Ja, daar kreeg je grote neusgaten van, maar het was goed voor je conditie zullen we maar zeggen.”

In het magazijn

In 1978, voor Dick heeft het kruideniersvak nauwelijks geheimen meer, belandt hij bij het ‘Witte Pakhuis’ in Barneveld, eigendom van Herman Henken jr uit Epe. “Alles stond gewoon in dozen op de grond. Later werd deze winkel het ‘Nieuwe Witte Pakhuis’, en lagen de de spullen in ongeverfde manden die op straatklinkers stonden.” Koop en verkoop van winkels zijn in die tijd aan de orde van de dag en de supermarkt waar Dick werkt gaat ‚Bingo’ heten, een naam die was overgewaaid uit Amerika. Rood, wit en blauw zijn de huiskleuren en de medewerkers gaan gekleed in een rood T-shirt met ‘Welkom bij Bingo’ op de rug. Witte schoenen onder een blauwe spijkerbroek.

Voor Dick is al die verandering geen verbetering, want hij wordt tegen zijn zin overgeplaatst naar het centrale magazijn op de Harselaar. Toch houdt hij het daar, als magazijnchef, tien jaar vol. Slapeloze nachten krijgt Dick pas als verplaatsing naar een distributiecentrum in Woerden dreigt. Zo ver komt het niet en kan hij aan de slag bij de Bingo in Putten.

Als jaren later winkelketen Aldi de zaak overneemt, is er voor Dick geen plaats meer. Na 21 jaar moet hij vertrekken. Dan belt Jan, de vader van Arjan van ’t Goor van Emté in Kootwijkerbroek. Dick kent hem en aarzelt geen moment als hij bij die supermarkt aan de slag kan. Terugdenkend aan de tien jaar dat hij daar heeft gewerkt zegt hij: “Alsof ik in een warm nest terecht kwam. Het lijkt wel een gezin. Zoals we daar met elkaar omgaan. Het is echt een geweldig bedrijf. Het is de mooiste zaak van Kootwijkerbroek.”

Lekker fietsen

Dat hij met plezier in Kootwijkerbroek heeft gewerkt, daarover laat Dick geen misverstand bestaan. Ook niet dat hij er als een berg tegenop ziet om met pensioen te gaan. Op 12 oktober nam hij afscheid, maar stilzitten is er wat hem betreft niet bij. Wel heeft hij nu tijd voor andere activiteiten. Fietsen bijvoorbeeld. “Jarenlang deden we met familieleden mee aan de fietsvierdaagse in Drenthe. Huurden we een villa en daar verbleven we dan. De laatste jaren is het daar niet meer van gekomen. Nu fietsen we vooral vanaf ons huis. Soms wel zestig of zeventig kilometer. Of we nemen de fietsen mee op de auto. Maar weet je, als het een soort verplichting wordt, is er ook geen lol meer aan.”

Nog nooit is hij met tegenzin naar zijn werk gegaan, benadrukt Dick. “Ik ben geen man die alleen van acht tot vijf werkt. En ik ga niet eerder naar huis dan dat mijn werk klaar ik. Je moet het goede voorbeeld geven. Als je zelf de kantjes eraf loopt, kun je van je medewerkers niet verwachten dat zij het beter doen.” Dat herinnert Dick aan een van zijn werkgevers waar hij hard werkte en er altijd nog iets moest gebeuren als hij op het punt stond om naar huis te gaan. “Dan vertrok het andere personeel en kon ik hun rotzooi opruimen. Zo kun je toch niet werken?”

“In januari ben ik 65 geworden, we hebben een zoon, en mijn dochter en haar man hebben pas een dochtertje gekregen. Mijn vrouw past elke vrijdag op en ik denk dat ik maar oppasopa word. Ook ga ik nog wat vrijwilligerswerk doen, besluit Dick en hij rondt ons gesprek af.” Eigenlijk heb ik nog veel meer te vertellen, maar we moeten het hier maar bij laten”, zegt hij en het is duidelijk dat hij met weemoed afscheid neemt. Nog uren kunnen we naar zijn verhalen luisteren. Zijn klanten met wie hij zo intens contact had, ongetwijfeld ook. Hij zal ze missen, en zij hem.

Dit interview verscheen eerder in de weekendbijlage van de Barneveldse Krant.

Geplaatst in publicaties, schrijfnieuws en getagd met .

Dagelijks ben ik in de weer met taal en tekst en houd ik koers in de dynamische wereld van de hedendaagse media. Ik blog, schrijf en redigeer teksten en verzorg journalistieke producties. Tijdens mijn schrijfworkshops en -presentaties draag ik mijn kennis over. Anderen leren betere teksten te schrijven geeft me voldoening. Vooral als de auteurs meer plezier krijgen in het schrijven.

Geef een reactie